Eten & drinken, Vroeger — March 22, 2013 at 5:37 pm

Was ook GEZOND heel gewoon in 1958?

by

Jaren vijftig. Of geluk heel gewoon was weet ik niet meer, maar het levensritme was zeker kalmer, hoewel mensen lange dagen werkten in die naoorlogse jaren van wederopbouw. De 40-urige werkweek was er nog lang niet en ook als kind moest je op zaterdagmorgen naar school. Bijtijds naar bed en weer vroeg op, dat was het ritme. Maar het leven verliep trager dan nu: het verkeer, het betalingsverkeer, het werktempo, de communicatie met andere mensen, de familiebezoekjes. Ook koken ging langzamer, maar eten niet, althans bij ons thuis niet – vanwege de telkens weer onderbrekende winkelbel. 

Er bestaat tegenwoordig een geïdealiseerd beeld dat het leven toen niet alleen rustiger was maar ook natuurlijker, gezonder. Dat klopt maar gedeeltelijk. De afstand van voedselproducent tot consument was inderdaad veel korter dan nu – denk aan oude termen als melk-boer, groenten-boer, eier-boer, kaas-boer. Die zelf producerende ‘boeren’ kwamen ook in de stad langs de deur, met een paardenkar of handkar.

Eten in de jaren 50

Amsterdam jaren 50

Groenten – altijd uit eigen land en van het seizoen, want andere waren er niet – kocht je nooit gesneden, dat deed je zelf. Evenmin waren ze voorverpakt, ook niet bij de groenteboer. De vele kleine winkels hadden elk hun specialisme, ook nog de slager en de bakker, want ‘zelfbedieningswinkels’ (het woord supermarkt was onbekend) van De Gruyter of Spar waren pas kort daarvoor ontstaan en niet bepaald algemeen. Je kocht er dingen als koffie, thee, suiker, zout en ook waspoeder (een nieuwigheid die zelf geklopte oude zeepstukjes verving), maar zeker geen verse waar als groente, vlees, melk of kaas. Waar geen zelfbediening was, kocht je ook houdbare etenswaren als rijst, macaroni en suiker bij de kruidenier. De gewenste hoeveelheid werd uit grote blikken of potten geschept en in bruine papieren zakjes verpakt. Winkeliers en klanten kenden elkaar, dus bij al die kleine ondernemers kon je je inkopen laten ‘opschrijven’, om ze zaterdags in één keer af te rekenen.
Vlees en vleeswaren kocht je van een slager die die koe of dat varken misschien die ochtend of gisteren zelf geslacht had – hoewel er wel in steden wel abbatoirs waren. Achterin menige slagerij zag je een koeienlijk hangen, aan grote zilverkleurige haken. Op een dik hakblok werden stukken vlees van bot ontdaan, en op de toonbank stond een glazen pot met rolpens. Melk, boter en andere zuivel kon je elke dag vers kopen van de melkboer die langs huis kwam – kneuterige reclames refereren er soms nog aan. Melk en yoghurt waren altijd verpakt in glazen statiegeldflessen.

De vele kinderen van de naoorlogse geboortegolf moesten groeien en kregen in de jaren vijftig daarom allemaal melk op school, van de M-brigade, elke schooldag, in de pauze. Later ontmaskerd als promotie van de zuivelindustrie, was het toen een welkom – en gratis! – tussendoortje. De conciërge maakte de halveliterflesjes desgewenst warm in een ketel water op het butagasstel. De doppen van zilverpapier gingen naar de zending, voor ‘de arme negertjes’ ergens in ondenkbaar verre landen. Als lid van de M-brigade (en wie wilde dat niet zijn!?) kreeg je een stoer blauw M-vignet, van textiel, zodat je moeder het op je jas kon naaien.
Vooral mensen met werk aan of dichtbij huis – en dat waren de meeste – aten tussen de middag ‘warm’, dus je liep of fietste als kind twee keer per dag naar school. Eten buiten de deur was nog een zeldzaamheid: dat gebeurde in de sobere fabriekskantine maar echt feestelijk hooguit bij bruiloften. De voordelige Chinees-Indische eethuizen waren pas net begonnen aan hun zegetocht, snackbars en automatieken bestonden nog nauwelijks en patat kon je alleen aan een kraam op de wekelijkse markt kopen. Snoep betrof vooral drop, toffees en zuurtjes. Chocolade was duur, en de Mars-reep was pas net geïntroduceerd als nieuwigheid uit Amerika. Die was zo speciaal dat je er als kind een halve dag mee rondliep voor je hem dan eindelijk opat. Ook frisdrank bestond nauwelijks. Je had appelsap en ook Coca-Cola en Seven-Up waren inmiddels op de markt maar zuinige moeders maakten thuis limonade, met siroop. Verder was er chocolademelk, ook zelfgemaakt, met cacao.
Alcohol werd beduidend minder gedronken dan tegenwoordig, ook door volwassenen, zeker binnen de toen nog grote groepen kerkelijke mensen. Veel meer dan een biertje en een borrel was er niet voorhanden voor de gewone man, en zijn vrouw nam een glaasje advocaat of zoete Spaanse wijn. Onder jongeren werd nauwelijks gedronken, en als het wel zo was, was dat een schande.

Ik aan de eettafel in de jaren 50

Aan de eettafel

Denk nu niet dat alles een paradijs van kleinschaligheid en natuurlijke onschuld was: in de landbouw werd met ruime hand gestrooid met DDT en andere chemische middelen. In de kelders van al die winkeliers stonden schoteltjes rattenkruid tegen ongedierte. Als er ’s zomers muggen in huis waren, hanteerde je zonder één bijgedachte de flitspuit, en mottenballen waren nog echt giftig. Iedereen gebruikte zorgeloos asbest kookplaatjes op het peterolie-stel, dat soms aardig kon walmen – in huis dus. Asbest werd ook volop gebruikt als lichte en waterdichte golfplaat voor schuurtjes en garages.
Behalve voetbal was sporten iets voor rijkere mensen, en van joggen of fitness had niemand ooit gehoord. Je bewoog vanzelf al genoeg, werkend, trappenlopend, fietsend en lopend naar bus, tram en trein, want auto’s waren nog een luxe. Je fietste ook naar het zomerhuisje op de Veluwe of het logeeradres bij een tante. En als je echt niet kon, brachten bus en trein je ook vrijwel overal, in gemoedelijk tempo.

‘Milieu’ zou een onbekend woord blijven tot in de late jaren zeventig. Maar voor redelijk onaangetaste natuur en lege landschappen zonder flats en elektraleidingen in de verte hoefde je zelfs vanuit het stadscentrum maar een kwartiertje te fietsen. Je zwom ook zonder zorgen in de Lek, de Maas en het Amsterdam-Rijnkanaal – als je maar uitkeek voor de schepen. Je kon er trouwens ook goedkoop aan vis komen… Midden in de steden stonden gasfabrieken met enorme tanks, en als je naar het overdekte zwembad ging, sloeg de chloorlucht je tegemoet.

Al met al waren er dus genoeg gevaren en gezondheidsrisico’s – alleen had niemand het erover. Je at toch gezond, wat kon je overkomen?? Het was vrijwel alle dagen aardappels en groente, met een paar keer in de week een beetje vlees. Voor de afwisseling was er macaroni met ham en kaas, of in melk gekookte zoete rijst met boter en kaneel. Vlees stond maar een paar keer per week op het menu, en daarvan minstens één keer goedkope gehaktballen: woensdag – gehaktdag! Als je moeder spek uitbakte, bewaarde ze het wittige zoute vet als broodbeleg: cholesterol, niemand had er ooit van gehoord. Kaantjes waren trouwens ook erg lekker; kleine keiharde brokjes die overbleven als je varkensvet uitsmolt. Lekker bij de winterse stamppot!
Op de drie, vier vleesloze dagen van de week gebruikte je ook van ’s zondags bewaarde ‘sju’ (jus) als smaakmaker over de aardappels, of er werd een ei gekookt. Van aardappelkooknat met roomboter werd botersaus gemaakt. Zaterdag kwam er vaak groentesoep op tafel, of pannenkoeken. Soep was altijd zelf gemaakt, vers, met alleen maggiblokjes en vermicelli als voorgefabriceerde ingrediënten. De pakjes soeppoeder raakten pas rond 1960 in zwang, met de opkomende welvaart.
‘Toe’ at je simpele dingen als karnemelkse pap met stroop, gortepap, echt zure yoghurt met suiker, griesmeelpudding, beschuit met bessensap. Pudding werd thuis gemaakt met puddingpoeder. Vla werd al wel verkocht, maar alleen in vanille of chocoladesmaak. Voor een aardbeismaakje kwam er een vies-roze strooipoeder op de markt, of je kon flesjes Tova kopen, fruitsaus van het aloude merk Hero. IJs kon je alleen ’s zomers krijgen, het liefst bij de Italiaan.
Alleen met feestdagen als Pasen en Kerst kwam er bijzonder vlees op tafel, van een betaalbare hele maar volstrekt ongeplofte kip tot wat duurder vlees als konijn en haas. Misschien hield je die zelf in een hok en slachtte je vader het diertje in de tuin, of het kwam van familie. ‘Echt’ wild van de poelier zoals fazant, reebout of wild zwijn was voor de meeste mensen te duur.

Gifspuitje

Flitspuit

Al met al was het eten in de jaren vijftig voor een groot deel wel ‘natuurlijker’ in de zin dat er vrijwel geen kant-en-klare producten waren, en dat de meeste ingrediënten veel directer dan nu van het land kwamen, zonder tussenbewerking. Maar niemand vertelde je ooit hoeveel insecticide of andere chemicaliën eraan te pas waren gekomen. Daar maakte je je ook niet druk om, je was gezond of je was het niet, en dat laatste werd dan zelden aan je voeding of je levensstijl toegeschreven. Maar het is een feit dat mensen veel meer bewogen dan nu, niet bewust met opzet maar omdat dat deel uitmaakte van het dagelijks leven. Auto’s waren voor rijkere mensen, en roltrappen of liften had je alleen in het warenhuis. Obesitas bestond niet, evenmin als anorexia trouwens.
Kanker kwam zeker wel voor (al is het moeilijk daar cijfers over te vinden) en het werd ook toen al als de ergste ziekte van allemaal gezien. Toch was het voor weinigen reden om niet te roken of om anders te gaan eten – voor zover dat verband al gelegd werd. Zo’n driekwart van alle mannen rookte, de vrouwen deden zonder te inhaleren mee, ‘voor de gezelligheid’. Op bushokjes, straatborden en in de bioscoop werd volop reclame voor roken gemaakt: “Chief Whip op ieders lip!”. Van meeroken had niemand ooit gehoord, dus ook bij gezinnen met kleine kinderen stond de huiskamer regelmatig blauw van papa’s rook.
Een andere ziekte die als groot risico werd beschouwd nadat er in de vooroorlogse jaren velen aan gestorven waren, was tuberculose (‘tbc’). Je werd er op school met een ‘krasje’ op je arm op getest. Gezien al die kinderen, was men ook alert op mazelen, kinkhoest en roodvonk. Goed tandenpoetsen was lang nog niet algemeen en vanwege het wijdverbreide tandbederf was er een discussie over de toevoeging van fluor aan het drinkwater. Hier en daar gebeurde dat ook korte tijd maar het werd onder protest toch weer stopgezet. Fluortandpasta was een minder opgelegd alternatief.

De jaren vijftig. Ze waren minder hysterisch en nerveus dan de huidige tijd, maar ook toen waren geluk en gezondheid niet vanzelfsprekend. En als je het had kon het zo weer uit je handen glippen – net als nu.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

Controlevraag *